FRANCISCUS VAN ASSISI: VAN MISLUKTE RIDDER TOT VREDESICOON
Eerder verschenen in FRANCESCO Magazine 1, januari 2026.
EEN RIDDERDROOM
Amper zestien was Franciscus toen de strijd tussen adel en burgerij in zijn thuisstad Assisi losbrak. Als zoon van een welgesteld lakenhandelaar behoorde hij tot de opkomende burgerij die zich snel verrijkte. In welstand kon zijn familie wedijveren met de adel in Assisi. Maar politiek hadden ze weinig zeggenschap in een feodale maatschappij waar grondbezit de basis van macht vormde. Dat begon voor spanningen te zorgen in de stad die uitmondden in bitter oorlogsgeweld. Het oude systeem daverde op haar grondvesten.
De jonge Franciscus was niet alleen getuige van de verdeeldheid in zijn eigen stad, maar ook van de machtsstrijd die gaande was op het wereldtoneel. De pauselijke ambitie om aan het hoofd van een groot christelijk rijk te staan, botste niet zonder geweld met de al even grote ambities van de Duitse keizers. Het verlangen naar macht, rijkdom en eer voerde zowel in wereldlijke als in kerkelijke kringen openlijk de boventoon.
"Die eer en dat aanzien, daar verlangde hij ook naar."
Als kind van zijn tijd keek Franciscus op naar de roem die edellieden te beurt viel als ze in al hun ridderlijk ornaat heldhaftig terugkeerden van de strijd. Die eer en dat aanzien, daar verlangde hij ook naar. Op een dag zou hij een groot vorst worden,
wist hij! In de hoop door een edelman van aanzien tot ridder te worden geslagen, trok hij mee op kruistocht naar Apulië. Maar God bleek een ander plan te hebben. Al na één dagreis schudde een stem Franciscus wakker. Hij keerde op zijn passen terug en liet zijn droom om ridder te worden varen.
Amper zestien was Franciscus toen de strijd tussen adel en burgerij in zijn thuisstad Assisi losbrak. Als zoon van een welgesteld lakenhandelaar behoorde hij tot de opkomende burgerij die zich snel verrijkte. In welstand kon zijn familie wedijveren met de adel in Assisi. Maar politiek hadden ze weinig zeggenschap in een feodale maatschappij waar grondbezit de basis van macht vormde. Dat begon voor spanningen te zorgen in de stad die uitmondden in bitter oorlogsgeweld. Het oude systeem daverde op haar grondvesten.
De jonge Franciscus was niet alleen getuige van de verdeeldheid in zijn eigen stad, maar ook van de machtsstrijd die gaande was op het wereldtoneel. De pauselijke ambitie om aan het hoofd van een groot christelijk rijk te staan, botste niet zonder geweld met de al even grote ambities van de Duitse keizers. Het verlangen naar macht, rijkdom en eer voerde zowel in wereldlijke als in kerkelijke kringen openlijk de boventoon.
"Die eer en dat aanzien, daar verlangde hij ook naar."
Als kind van zijn tijd keek Franciscus op naar de roem die edellieden te beurt viel als ze in al hun ridderlijk ornaat heldhaftig terugkeerden van de strijd. Die eer en dat aanzien, daar verlangde hij ook naar. Op een dag zou hij een groot vorst worden,
wist hij! In de hoop door een edelman van aanzien tot ridder te worden geslagen, trok hij mee op kruistocht naar Apulië. Maar God bleek een ander plan te hebben. Al na één dagreis schudde een stem Franciscus wakker. Hij keerde op zijn passen terug en liet zijn droom om ridder te worden varen.
DE KEERZIJDE
In een donkere kerker in Perugia waar Franciscus een jaar krijgsgevangen was, kwam hij de keerzijde van aanzien en macht op het spoor. Daar, onder de gebroken mannen die net als hij de strijd hadden verloren, ontdekte hij dat wat ze eens hartstochtelijk nastreefden hen zomaar kon ontglippen. Wat later, oog in oog met de melaatsen, ontmoette Franciscus de meest weerloze, in hun menswaardigheid geschonden armen van die tijd. Verbannen waren ze, alsof ze niet meer bestonden. Ze kregen zelfs geen plek meer binnen de samenleving.
Die ontmoeting betekende voor Franciscus het begin van zijn boetvaardig leven. In plaats van weerzin wekte de melaatse onverwacht een gevoel van barmhartigheid bij hem op. Hij herkende een mens, een medemens en schepsel in hem en had iets van zijn pijn gevoeld. Het kan niet Gods bedoeling zijn om zo met de ander om te gaan, realiseerde Franciscus zich. Jezus toont ons iets anders. En dus brak Franciscus met de gedragscodes van de samenleving van zijn tijd. Hij draaide zijn levensoriëntatie radicaal om. De diepste en onvervreemdbare waardigheid van de mens, staat los van macht, bezit of status. Wie je bent in Gods ogen, daar gaat het om. En dus ging hij net als de meest kwetsbaren op de rand van de samenleving wonen.
Wie je bent in Gods ogen, daar gaat het om.
Als scherpzinnig waarnemer begreep Franciscus dat het menselijk verlangen naar bezit de oorzaak was van alle conflicten en geweld. En dus koos hij ervoor radicaal bezitloos te gaan leven, op materieel en op geestelijk vlak.
DOE BOETE !
Net zoals boetsters de draden van een visnet terug herstellen na een grote vangst, zo was het boetvaardig leven van Franciscus erop gericht zijn verbondenheid met God, de naaste en de schepping te herstellen.
Als alles wat een mens kan bezitten - ook aan talenten, gezondheid, positie of status - zomaar kan ontnomen worden, wat is dan de mens? Voor Franciscus was het glashelder dat al het goede in een mensenleven gaven zijn die we van God ontvangen. Als we ons ermee gaan identificeren of ze op onze eigen naam schrijven, dan verliezen we God uit het oog. Dan komen we los van de Bron waaruit al het goede voortkomt.
Zodra we geloven dat ons welzijn, onze maatschappelijke positie, ons succes of onze rijkdom louter onze eigen verdienste zijn, komt onze relatie met de naaste in het gedrang. We denken meer (of minder) waard te zijn of te hebben dan de ander. Maar als we het goede een gave laten zijn, worden we terug gelijkwaardig. Dan kunnen we ons met de ander verheugen om wat gegeven is aan elke mens. Ons naakte mens-zijn is genoeg, begreep Franciscus. God heeft elk schepsel met liefde gewild en geschapen. We hoeven ons niet te ‘bedekken’ met menselijk aanzien om waardevol te zijn. Hij nodigt ons uit ontvankelijk in het leven te staan, erop vertrouwend dat alles wat we nodig hebben ons wordt gegeven. Dan kunnen we als mens net als in het Zonnelied dankbaar onze plek innemen als schepsel tussen de schepselen, levend vanuit het besef alles te mogen ontvangen. Zelfs ons eigen leven!
Ons naakte mens-zijn is genoeg, begreep Franciscus.
“Doe boete, doe boete!”, riep Franciscus uit op pleintjes. Herstel je vitale relaties en neem de juiste plek in als mens, zegt hij ook tegen ons vandaag. Keer je af van een leven dat op zichzelf gericht is en dat nooit vervulling zal brengen. Weet wie je bent, wat je oorsprong is en stel je open voor wat je wordt gegeven!
ARMOEDE ALS LEVENSWIJZE
Leven in armoede was Franciscus’ weg tot boetvaardigheid. Hij koos ervoor zich niets meer toe te eigenen, zelfs zijn eigen wil niet! Door radicaal bezitloos te leven, zowel materieel als geestelijk, wilde hij altijd degene met de laagste positie en het minste bezit zijn. In het volle besef dat de menselijke waardigheid niet van positie of bezit afhangt.
De armoede droegen de broeders samen, met een warme wederzijdse zorg voor elkaar. Franciscus gunde zichzelf het hoogstnoodzakelijke om van te leven. Van al het andere kwam hij los. “Alles wat je te veel neemt, neem je af van een ander die het meer nodig heeft”, liet hij zich wel eens ontvallen. We zijn ten diepste relationele wezens. Ons doen en laten, ons geven en nemen, ons eten en vasten, … Elke keuze die we maken is wezenlijk verbonden met God, de naaste en de schepping, wist Franciscus.
In haar brieven noemde Clara van Assisi de weg van de armoede ook wel de ‘Weg van de volmaaktheid’. Niet volmaakt in de zin van perfectie, maar zoals in het Evangelie van de rijke jongeling: de mens die zich van al zijn bezittingen en wereldse houvast ontdoet om enkel nog Christus te volgen. Franciscus en Clara werden arm om zich enkel nog door God te laten vol-maken. “Gij zijt onze rijkdom en dat is ons genoeg”, zingt Franciscus in het Loflied op de Allerhoogste. Ze werden arm aan uiterlijke rijkdom en aanzien – wat afleidt van wat wezenlijk is - om innerlijk volledig door Gods liefde vervuld te worden. Vanuit die ontvangen liefde hadden ze ook de
naaste en de hele schepping lief.
DE VIJAND, EN TOCH MIJN BROEDER
Dat het snel groeiende broederschap rond Franciscus zowel uit mannen van adel als uit de burgerij bestond, was op zich al een hoopvol teken in het door strijd verscheurde Italië. De broeders trokken als pelgrims rond, zich volledig toevertrouwend aan de gastvrijheid van anderen. Waar ze konden hielpen ze een handje mee in ruil voor onderdak en eten. “Vrede aan dit huis!” groetten ze ieder bij wie ze aanklopten.
“Vrede aan dit huis!” groetten ze ieder bij wie ze aanklopten.
Met die vredesgroet trok Franciscus in 1219 ook ongewapend als pelgrim naar Egypte, waar de kruisvaarders de havenstad Damietta belegerden. Vanuit het kruisvaarderskamp maakte hij weerloos de oversteek naar het kamp van sultan Malek Al-Kamel, de gedoodverfde vijand. Met lege, open handen ging hij hem tegemoet, voor zijn leven en overleven volledig afhankelijk van de welwillendheid van de sultan. Die bleek perfect in staat te zijn een weerloze pelgrim van een strijdvaardige kruisvaarder te onderscheiden.
Ongetwijfeld heeft Franciscus vurig het Evangelie verkondigd zoals hij dat dat kon, in de hoop dat de sultan een ommekeer zou maken. Maar oog in oog met een minzame, wijze en diepgelovige moslimleider, moet hij tot het besef gekomen zijn dat hij zich zelfs zijn eigen geloof niet mocht toe-eigenen. Als we vergeten dat ook het geloof en onze diepste identiteit een gave zijn, dan riskeren we ons beter, meer of juist minder te voelen dan niet- of andersgelovigen. Dan dreigen we de ander te willen overtuigen van ons eigen gelijk door te strijden met woorden, wat de Vrede in de weg staat.
TOT SLOT: UNIVERSELE BROEDERLIJKE LIEFDE
Wat voor Franciscus begon als de droom een heldhaftig ridder te worden om zo zijn plek in de wereld te veroveren, mondde uit in een weg van onteigening, ontwapening en overgave. De ware vrede, zo ontdekte Franciscus, komt niet door strijd of macht tot stand. Ze ontkiemt in het hart van de mens die niet meer wil bezitten of overheersen, die niet langer strijdt voor het grote gelijk maar met open handen, vertrouwvol en dankbaar in de wereld staat.
Franciscus’ bezoek aan sultan Malek al-Kamel te midden van het kruisvaartgeweld is ongetwijfeld zijn meest iconische vredesdaad. Maar meer nog is het zijn steeds verder uitdeinende broederlijke liefde, die de hele schepping wil omhelzen — een verbindend, mild en levend visioen dat ons tot op de dag van vandaag op vernieuwde wegen naar vrede zet. Zo kan de ware vrede onverhoeds uitgroeien tot ware broederlijke en zusterlijke vreugde.
Barbara Mertens (1982) is als stafmedewerkster werkzaam bij TAU – Franciscaanse spiritualiteit vandaag. In haar werk zet ze zich in voor vrede en Clara van Assisi.
In een donkere kerker in Perugia waar Franciscus een jaar krijgsgevangen was, kwam hij de keerzijde van aanzien en macht op het spoor. Daar, onder de gebroken mannen die net als hij de strijd hadden verloren, ontdekte hij dat wat ze eens hartstochtelijk nastreefden hen zomaar kon ontglippen. Wat later, oog in oog met de melaatsen, ontmoette Franciscus de meest weerloze, in hun menswaardigheid geschonden armen van die tijd. Verbannen waren ze, alsof ze niet meer bestonden. Ze kregen zelfs geen plek meer binnen de samenleving.
Die ontmoeting betekende voor Franciscus het begin van zijn boetvaardig leven. In plaats van weerzin wekte de melaatse onverwacht een gevoel van barmhartigheid bij hem op. Hij herkende een mens, een medemens en schepsel in hem en had iets van zijn pijn gevoeld. Het kan niet Gods bedoeling zijn om zo met de ander om te gaan, realiseerde Franciscus zich. Jezus toont ons iets anders. En dus brak Franciscus met de gedragscodes van de samenleving van zijn tijd. Hij draaide zijn levensoriëntatie radicaal om. De diepste en onvervreemdbare waardigheid van de mens, staat los van macht, bezit of status. Wie je bent in Gods ogen, daar gaat het om. En dus ging hij net als de meest kwetsbaren op de rand van de samenleving wonen.
Wie je bent in Gods ogen, daar gaat het om.
Als scherpzinnig waarnemer begreep Franciscus dat het menselijk verlangen naar bezit de oorzaak was van alle conflicten en geweld. En dus koos hij ervoor radicaal bezitloos te gaan leven, op materieel en op geestelijk vlak.
DOE BOETE !
Net zoals boetsters de draden van een visnet terug herstellen na een grote vangst, zo was het boetvaardig leven van Franciscus erop gericht zijn verbondenheid met God, de naaste en de schepping te herstellen.
Als alles wat een mens kan bezitten - ook aan talenten, gezondheid, positie of status - zomaar kan ontnomen worden, wat is dan de mens? Voor Franciscus was het glashelder dat al het goede in een mensenleven gaven zijn die we van God ontvangen. Als we ons ermee gaan identificeren of ze op onze eigen naam schrijven, dan verliezen we God uit het oog. Dan komen we los van de Bron waaruit al het goede voortkomt.
Zodra we geloven dat ons welzijn, onze maatschappelijke positie, ons succes of onze rijkdom louter onze eigen verdienste zijn, komt onze relatie met de naaste in het gedrang. We denken meer (of minder) waard te zijn of te hebben dan de ander. Maar als we het goede een gave laten zijn, worden we terug gelijkwaardig. Dan kunnen we ons met de ander verheugen om wat gegeven is aan elke mens. Ons naakte mens-zijn is genoeg, begreep Franciscus. God heeft elk schepsel met liefde gewild en geschapen. We hoeven ons niet te ‘bedekken’ met menselijk aanzien om waardevol te zijn. Hij nodigt ons uit ontvankelijk in het leven te staan, erop vertrouwend dat alles wat we nodig hebben ons wordt gegeven. Dan kunnen we als mens net als in het Zonnelied dankbaar onze plek innemen als schepsel tussen de schepselen, levend vanuit het besef alles te mogen ontvangen. Zelfs ons eigen leven!
Ons naakte mens-zijn is genoeg, begreep Franciscus.
“Doe boete, doe boete!”, riep Franciscus uit op pleintjes. Herstel je vitale relaties en neem de juiste plek in als mens, zegt hij ook tegen ons vandaag. Keer je af van een leven dat op zichzelf gericht is en dat nooit vervulling zal brengen. Weet wie je bent, wat je oorsprong is en stel je open voor wat je wordt gegeven!
ARMOEDE ALS LEVENSWIJZE
Leven in armoede was Franciscus’ weg tot boetvaardigheid. Hij koos ervoor zich niets meer toe te eigenen, zelfs zijn eigen wil niet! Door radicaal bezitloos te leven, zowel materieel als geestelijk, wilde hij altijd degene met de laagste positie en het minste bezit zijn. In het volle besef dat de menselijke waardigheid niet van positie of bezit afhangt.
De armoede droegen de broeders samen, met een warme wederzijdse zorg voor elkaar. Franciscus gunde zichzelf het hoogstnoodzakelijke om van te leven. Van al het andere kwam hij los. “Alles wat je te veel neemt, neem je af van een ander die het meer nodig heeft”, liet hij zich wel eens ontvallen. We zijn ten diepste relationele wezens. Ons doen en laten, ons geven en nemen, ons eten en vasten, … Elke keuze die we maken is wezenlijk verbonden met God, de naaste en de schepping, wist Franciscus.
In haar brieven noemde Clara van Assisi de weg van de armoede ook wel de ‘Weg van de volmaaktheid’. Niet volmaakt in de zin van perfectie, maar zoals in het Evangelie van de rijke jongeling: de mens die zich van al zijn bezittingen en wereldse houvast ontdoet om enkel nog Christus te volgen. Franciscus en Clara werden arm om zich enkel nog door God te laten vol-maken. “Gij zijt onze rijkdom en dat is ons genoeg”, zingt Franciscus in het Loflied op de Allerhoogste. Ze werden arm aan uiterlijke rijkdom en aanzien – wat afleidt van wat wezenlijk is - om innerlijk volledig door Gods liefde vervuld te worden. Vanuit die ontvangen liefde hadden ze ook de
naaste en de hele schepping lief.
DE VIJAND, EN TOCH MIJN BROEDER
Dat het snel groeiende broederschap rond Franciscus zowel uit mannen van adel als uit de burgerij bestond, was op zich al een hoopvol teken in het door strijd verscheurde Italië. De broeders trokken als pelgrims rond, zich volledig toevertrouwend aan de gastvrijheid van anderen. Waar ze konden hielpen ze een handje mee in ruil voor onderdak en eten. “Vrede aan dit huis!” groetten ze ieder bij wie ze aanklopten.
“Vrede aan dit huis!” groetten ze ieder bij wie ze aanklopten.
Met die vredesgroet trok Franciscus in 1219 ook ongewapend als pelgrim naar Egypte, waar de kruisvaarders de havenstad Damietta belegerden. Vanuit het kruisvaarderskamp maakte hij weerloos de oversteek naar het kamp van sultan Malek Al-Kamel, de gedoodverfde vijand. Met lege, open handen ging hij hem tegemoet, voor zijn leven en overleven volledig afhankelijk van de welwillendheid van de sultan. Die bleek perfect in staat te zijn een weerloze pelgrim van een strijdvaardige kruisvaarder te onderscheiden.
Ongetwijfeld heeft Franciscus vurig het Evangelie verkondigd zoals hij dat dat kon, in de hoop dat de sultan een ommekeer zou maken. Maar oog in oog met een minzame, wijze en diepgelovige moslimleider, moet hij tot het besef gekomen zijn dat hij zich zelfs zijn eigen geloof niet mocht toe-eigenen. Als we vergeten dat ook het geloof en onze diepste identiteit een gave zijn, dan riskeren we ons beter, meer of juist minder te voelen dan niet- of andersgelovigen. Dan dreigen we de ander te willen overtuigen van ons eigen gelijk door te strijden met woorden, wat de Vrede in de weg staat.
TOT SLOT: UNIVERSELE BROEDERLIJKE LIEFDE
Wat voor Franciscus begon als de droom een heldhaftig ridder te worden om zo zijn plek in de wereld te veroveren, mondde uit in een weg van onteigening, ontwapening en overgave. De ware vrede, zo ontdekte Franciscus, komt niet door strijd of macht tot stand. Ze ontkiemt in het hart van de mens die niet meer wil bezitten of overheersen, die niet langer strijdt voor het grote gelijk maar met open handen, vertrouwvol en dankbaar in de wereld staat.
Franciscus’ bezoek aan sultan Malek al-Kamel te midden van het kruisvaartgeweld is ongetwijfeld zijn meest iconische vredesdaad. Maar meer nog is het zijn steeds verder uitdeinende broederlijke liefde, die de hele schepping wil omhelzen — een verbindend, mild en levend visioen dat ons tot op de dag van vandaag op vernieuwde wegen naar vrede zet. Zo kan de ware vrede onverhoeds uitgroeien tot ware broederlijke en zusterlijke vreugde.
Barbara Mertens (1982) is als stafmedewerkster werkzaam bij TAU – Franciscaanse spiritualiteit vandaag. In haar werk zet ze zich in voor vrede en Clara van Assisi.